gedichten

Woorden zijn bijna altijd te vinden, dichtbij of juist later, verder weg.
Ze wachten geduldig tot we ze ontmoeten, roepen zacht naar wie luistert.

ik heb je gezien

in huizen, schuren, straten

een ziekenhuis, een bos

op een snelweg, in een sluis

ik heb je gezien

mijn handen hebben je geraakt

toen je was geslagen, verdronken, verkracht

mijn handen hebben je geraakt

en waar ik jou raak

raak jij mij

hier leen ik je mijn pen

mijn schild slechts van papier

Uit mijn bundel Teunisbloemen bloeien ’s nachts.

Hek

rechts is een hek
van boven gezien een korte streep
van geringe breedte

het gaas verdween:
hij steekt er zó
zijn hand doorheen

zinloos, een hek
dat alleen staat – niets raakt

hij hing er twee ballonnen aan

zingen kan ze

ik heb haar gehoord

met haar stem tilt ze haar pijn op

smijt in staccato haar leven

– de rafels van haar spuitarmen

de etterende putten in haar benen

de vuile nagels krabbend naar

wiebelend wijkende beestjes–

tegen de deur van iemand in een hemel

van wie gezegd wordt

dat hij god

zou zijn

Uit mijn bundel Teunisbloemen bloeien ’s nachts