Voor konijn

‘Konijn is dood’. Mijn mond voelt raar, alsof hij vol zit met zachte veertjes. Misschien dat papa het daarom niet hoort.

Het vachtje van konijn voelt nog net als gisteren. Zacht als oma’s wang. Maar zijn snuffelende snuitje, als de tinkel van oma’s oorbel tegen mijn hals, is stil en hard geworden als een dropje dat je vindt tussen de kussens van de bank. Hij ruikt niet meer warm zoet stoffig, maar een beetje zuur. Vieze dweil. Dat vind ik nog het ergste, konijn ruikt opeens naar vieze dweil. Ik slik.

‘Konijn is dood’. Nu kijkt papa op van zijn krant. ‘Ach, jongen toch. Ja, hij was ook al heel oud. Wacht, hij zal het wel koud hebben. Zullen we samen een handdoek voor hem uitzoeken?’ Ja, een handdoek is fijn. Ik zoek mijn lievelingshanddoek uit, die met de capuchon. Als je hem omslaat, ben je een brandweerman. Ik leg konijn op de handdoek en samen met papa pak ik hem er zachtjes in, zijn snuitje en oogjes erbuiten, zijn oortjes half in de capuchon. De binnenkant van zijn oortjes, glad glanzend in heel veel kleuren, als de blokjes aan oma’s ketting.
‘Paarlemoer’, zegt oma, ‘uit het diepste der zee. Wacht, ik heb nog een knikker van paarlemoer. Hier, die is voor jou. Met een stukje eraf, dan vonkt hij mooi in de zon.’
Het is een mooi woord, paarlemoer. Met dat woord klik je een schatkist open. Drie druppels in je ranja en dat je dan opeens vliegen kunt, naar een land ver weg waar konijn nog leeft.

Zijn oortjes schenen oranje-rood door als je er in het donker een zaklamp achter hield. Met rode adertjes. Als met je ogen dicht naar de zon. In mijn broekzak zoek ik de knikker. Mijn duim voelt het randje. Dat schuurt een beetje, maar fijn, zo dat het geen pijn doet.
Paarlemoer.

Papa haalt de schop uit de schuur en graaft een gat achter de schommel. Mama komt erbij en legt haar hand op mijn hoofd, ik leun met konijn in mijn armen tegen haar aan. Hij weegt opeens heel zwaar, zwaarder dan eerst. Als een laken dat mama gestreken heeft en dat we dan helemaal opvouwen tot plat.
Mama zegt: ‘Leg konijn maar in de kuil’.

‘Toe maar jongen’.

Weer die veertjes in mijn mond. Mijn adem gaat met rare stootjes.
Ik geef konijn een hele-hele-hele lange knuffel. Dan ga ik op mijn knieën zitten en leg hem voorzichtig in de kuil. Het past niet helemaal, konijn hangt nu een beetje scheef. Met mijn hand graaf ik de zijkant een beetje verder uit, zand duwt drukkend onder mijn nagels. ‘Leg de capuchon maar helemaal over zijn hoofdje, dan krijgt hij geen zand in zijn neus’, zegt mama. Dat doe ik.
Dan maak ik van mijn handen schepjes en ik schuif heel zachtjes een beetje zand. Ook zo koud en kil. Liefliefkonijn, omawangkonijn, oorbeltinkelkonijn, paarlemoer, lief.

‘Papa brengt het verder wel in orde’.

Ik pak mijn fiets, laat het spatbord expres langs mijn kuit schaven en trap zo hard ik kan naar oma.

Ze strijkt met haar hand in mijn nek, mijn tranen vallen zacht in de haartjes op haar wang.
‘Hier, we pakken allebei een zuurtje’. De papiertjes ritselen. ‘En we gaan heel langzaam zuigen en zo lang het zuurtje duurt zijn we samen heel verdrietig over konijn.’
Dat helpt. Als het zuurtje helemaal op is, zijn ook mijn tranen op.

Ik zit nu op de drempel van het schuurtje waar het hok van konijn staat. Het deurtje van zijn hok staat open.
Aan mijn neus jeukt nog een huildruppel. Ik veeg hem weg, hij laat een slakkenspoor achter op mijn hand.
Hier zat ik vaak met konijn. De zon scheen regenboogkleuren in zijn haartjes. Of hij duwde zijn kopje onder mijn arm en dan ging hij me met zijn snuitje kietelen. Of hij viel bijna en dan zette hij zijn nagels in mijn been, dat hoefde niet want ik ving hem altijd op. Maar dat kon konijn niet weten.
In mijn broekzak voel ik de knikker. Ik doe mijn hand in mijn zak, mijn duim raspt vanzelf over de ribbels. Ik haal hem eruit, laat hem vonken in de zon. Voor konijn.