Woorden zijn bijna altijd te vinden, dichtbij of juist later, verder weg.
Ze wachten geduldig tot we ze ontmoeten, roepen zacht naar wie luistert.
ik heb je gezien
in huizen, schuren, straten
een ziekenhuis, een bos
op een snelweg, in een sluis
ik heb je gezien
mijn handen hebben je geraakt
toen je was geslagen, verdronken, verkracht
mijn handen hebben je geraakt
en waar ik jou raak
raak jij mij
hier leen ik je mijn pen
mijn schild slechts van papier
Uit mijn bundel Teunisbloemen bloeien ’s nachts.
Hek
rechts is een hek
van boven gezien een korte streep
van geringe breedte
het gaas verdween:
hij steekt er zó
zijn hand doorheen
zinloos, een hek
dat alleen staat – niets raakt
hij hing er twee ballonnen aan
zingen kan ze
ik heb haar gehoord
met haar stem tilt ze haar pijn op
smijt in staccato haar leven
– de rafels van haar spuitarmen
de etterende putten in haar benen
de vuile nagels krabbend naar
wiebelend wijkende beestjes–
tegen de deur van iemand in een hemel
van wie gezegd wordt
dat hij god
zou zijn
Uit mijn bundel Teunisbloemen bloeien ’s nachts
