Shalom

Ik weet niet met wie ik kan praten, en jij bent steeds bij me gebleven, de hele lange geboorte, dus ik praat met jou. Fijn dat je luistert. Luister je? Hoor je me? Ik zie je schittering, die neem ik als een ‘ja’.

Ik heb gebeden dat mijn kind geboren was voordat we op reis moesten. Die dikke enkels, mijn ringen die me niet meer pasten, de pijn in mijn rug: ik had er zo ontzettend genoeg van. Ik heb dadels gegeten, met dikke lagen kaneel. Het is in Gods hand, dat weet ik, maar ik kan Hem toch een beetje helpen? Het hielp niks, de dadels, de kaneel, de warme baden, niks hielp het.

Dan de reis. Stof, hitte, en ’s nachts dan weer de kou. En Ster, het leek wel alsof ik moest plassen bij elke ezelspas. Ja, lach jij maar. Het leven hier beneden is niet makkelijk. En toen mijn kind dan eindelijk geboren moest worden, ik was mijn water al verloren, bleef elke deur gesloten. Als zwervers vonden we een krot. Geen bed, geen baarvrouwen, geen warm water. Alleen was ik. Een ezel, een os. En Jozef natuurlijk, maar wat weet hij nou van vrouwenzaken?

En pijn, pijn! Maar die was meteen vergeten, Ster, toen we ons zoontje zagen. Ik veegde hem droog met stro, zoals je een lam droog veegt zodra het op de wereld is. En hij is het mooiste kind dat ik ooit zag. Ik weet dat elke moeder dat zegt, maar bij ons is het echt waar. Gelukkig had Jozef ondertussen een vuur gemaakt, daar werd het iets warmer van.

Heel vreemd, Ster: er waren herders in de buurt, die kwamen op mijn geschreeuw af. Dat was niet zo vreemd, want ik gilde de hele boel bij elkaar. Maar wat wel vreemd was: ze hadden allemaal hetzelfde verhaal, hoewel ze hele einden van elkaar af waren geweest.

Er was opeens een man geweest, die zei: ‘Laat je schapen maar hier, ik zal op ze letten. Ga naar de plek waar de ster staat, daar is een kind geboren’. En hij had hun verteld dat ons zoontje is Die komen zou. Dus vroegen ze ons: ‘Is Hij het nou? De Langverwachte? Is Hij het dan echt?’. Hun gezichten gloeiden vreemd, als door een olielamp verlicht, alsof er toch nog hoop is, hoop op goeds en moois. Sommigen huilden, een paar knielden en er was er één, die kuste de rand van de doek waarin Jozef ons zoontje gewikkeld had. We hadden het zelf nog niet eens een naam gegeven, maar ik weet zeker: zijn naam wordt niet: ‘De Langverwachte’. Vreemd toch, Ster, die man. Wat is hier aan de hand? En wat bezielde die herders toch?

Wat een dag was dat, Ster, en wat een nacht. Ik ben moe. Moe. Jozef slaapt ook al, de os, de ezel. En die herders buiten.

Dankjewel dat je naar me luisteren wilde, blijf je nog even?

Shalom, shalom aleichem,
Maria